Overdenking 12 april 2020

Gepubliceerd op 30 april 2020 om 11:41

Overdenking van zondag 12 april door ds Jan WIllem Drost. 

Gemeente van onze Heer,

‘Prijs God’, zing zij, ‘Zijn hand zal u bewaren’. Het ging de afgelopen tijd natuurlijk wel een paar keer over hoe mensen tegen het gevaar van corona aan keken, de rol ook die God daarin speelde. Vooral de ouderen die ik sprak staan  op het standpunt dat het beste samen te vatten is met de woorden: ‘Dominee, als het je tijd is, ga je toch wel.’ Natuurlijk moet er van alles gedaan worden om het leven te behouden, maar uiteindelijk…. Uiteindelijk is het niet aan ons.

Je zou het ook kunnen horen in die woorden ‘Zijn hand zal u bewaren’.

 

De andere kant hoor je ook in het gedicht, die van de dichter zelf. Hij gelooft niet zo in een Machtige God die je leven leidt, dat is een gedachte die bij ouderen nog leeft, maar wat moet je er als modern denkend mens mee? Wat is het nut van geloven? Wat levert het je op? Als je kijkt, en al je vragen over ons leven, de samenleving op God projecteert, ja, dan wordt het misschien best lastig, maar is er niet een andere weg, een andere manier om het toch met deze woorden te doen, er in te blijven geloven?

 

Er zijn mensen die God zien in de betrokkenheid op elkaar, de solidariteit, de liefde van mensen voor elkaar, de opofferingsgezindheid. Maar anderen vinden dat een te menselijke manier van denken. God is veel groter dan dat. Toch: zonder het verhaal van God met de mensen, van Jezus Christus, had de wereld er in dit opzicht toch anders uitgezien. Ik stel me, als denkexperiment, wel eens voor dat Jezus de boodschap verspreid zou hebben, dat ieder mens de regisseur is van zijn eigen leven. Dat als het niks wordt met je leven, met je dromen en idealen, dat alleen aan jezelf ligt: in wat voor een wereld hadden we dan nu geleefd? De tijd die we nu hebben, laat ons wel wat anders zien dan dat. Dat je je eigen leven volledig in eigen hand hebt. Hoe hard mensen ook werken, hoe ver ze hun nek ook hebben uitgestoken, hoeveel moed ze ook hebben getoond: hun leven is op de kop gegaan door een virus waar ze niets aan konden doen. En een deel van hen zal door deze crisis, buiten hun schuld om, misschien die idealen nooit meer halen. Is ze dat aan te rekenen? Is dat een straf van God?

 

Primo Levi,  Joods schrijver en overlevende van de Holocaust, is een groot deel van zijn leven atheïst geweest. En toch zijn die verhalen uit de bijbel voor hem altijd wel belangrijk geweest. En dan om het leven van een mens te duiden. Zo gebruikt hij metaforen uit het Genesisverhaal, het water van de dood bijvoorbeeld, om de donkerzwarte bladzijde uit zijn leven te duiden. Het water dat ons dood en verderf brengt, het water dat geeft en neemt. Maar hij beschrijft ook hoe een mens weer tot leven komt als ze bevrijd zijn van de gruwelen van het kamp: ‘We zaten rond het vuur en we voelden ons als God na de schepping, die eindelijk kon uitrusten en zag dat het goed was.’ Opstanding, nieuw begin.

 

En daarmee zijn we bij het basisverhaal dat we elkaar ieder jaar voorlezen of vertellen op Pasen: het verhaal van de Opstanding. In een periode van enkele dagen komen de leerlingen in een rollercoaster van gevoel. Door de ogen van Maria van Magdala, Maria Magdalena, over wie Jessica gezongen heeft, is dat maar al te duidelijk. Ze is zijn houvast, de zalft zijn voeten, ze loopt mee tot het einde en ziet Hem, volgens de evangelist Johannes, aan het kruis hangen voor ze terug keert in het huis waar de leerlingen van Jezus zich hebben opgesloten. Bang voor de bezetter, immens verdrietig, maar ook verscheurd: hebben ze het zo verkeerd gezien?

 

Het verhaal van Jezus Christus zou hier ook ongetwijfeld gestopt zijn, het is zelfs de vraag of we het wel zouden kennen, als dit verhaal niet gevolgd zou worden door de Paasmorgen. En dat dan niet als een prettig vervolg omdat zonen van God nou eenmaal wat te bewijzen hebben, zoals in de Griekse mythologie bijvoorbeeld, maar vooral omdat het hardnekkige gerucht van de Opstanding wordt ondersteund door getuigenissen van mensen die er, zelfs als ze er hun leven voor moeten geven, aan vasthouden. Dat kun je niet onder de mat schuiven met de opmerking dat ze bijvoorbeeld bij het verkeerde graf gezocht hebben, of dat er een ander voor Jezus gekruisigd is zodat Jezus zelf naar Frankrijk kon vluchten. Die verklaringen kom je in romans wel tegen als de al wat oudere Da Vincicode van Dan Brown uit 2004 of het Judasmysterie van Jeroen Windmeijer uit 2015. Nee, de getuigen hebben het verhaal verder gebracht en wel zo ver, dat we er tot op de dag van vandaag over lezen en spreken. 

 

Maria is een van hen. Ze gaat vroeg in de morgen naar het graf. Bij de andere evangelisten is dat om Jezus’ lichaam te balsemen. Bij Johannes doet dat er niet zo toe. Het gaat daar vooral om de ontmoeting tussen Jezus en Maria. Maria, die met deze Heer zo innig verbonden is.  Hij is het die haar bevrijd heeft van kwade geesten in haar hoofd. Ze werd voor gek versleten door anderen, totdat ze Jezus ontmoette die haar genas. Als ze aankomt bij het graf, ziet ze dat het open is. Maria gaat terug naar de leerlingen en Petrus en Johannes gaan mee terug naar de tuin. Terwijl de mannen in het graf de controle doen, vindt buiten het graf een bijzondere ontmoeting plaats. Eerst vertrouwt ze twee engelen toe waarom ze zo verdrietig is. En als ze zich dan omdraait en de tuinman denkt te ontmoeten, blijkt het Jezus te zijn. ‘Maria!’ Haar naam klinkt en het is alsof ze uit haar verdriet ontwaakt, alsof ze zelf opstaat uit de treurige situatie waarin ze zich bevindt. ‘Houd me niet vast’, zegt Jezus haar.

 

‘Houd me niet vast’. Ik hoor daar in: kader mij niet in in het verhaal dat we samen geschreven hebben. Jij als leerling, ik als rabboeni, meester. Ik ben niet alleen de mens die andere genas, die brood brak voor duizenden, die jou genas. Zeker, dat is gebeurd, maar er is meer dan dat. ‘Houd dat vast, maar houd mij er niet mee vast’. Verwacht meer dan dat. Het doet me denken dat het verbod om van God een beeld te maken, om God in te kaderen. Laat dat niet gebeuren, zegt God in Exodus 20, omdat daarmee de definitie van wie of wat God is bij mensen komt te liggen. En levert per definitie ellende op. Discussie over wat God wel wil en wat niet. Waar God wel te vinden is en waar niet.

 

‘Houd me niet vast’ geeft enorm veel lucht en ruimte aan wie God is. God is de Bron voor de natuur die ontwaakt, maar ook Degene die hoort naar je verdriet; God is Degene die in mensen vonken van naastenliefde heeft geplant, maar ook de God die mensen draagt in Zijn hand; God is de Geest die inspireert, maar ook de Kracht van de Creativiteit die er toe leidt dat wij, mensen, oplossingen weten te vinden voor problemen die ons bedreigen. God is het anker voor wie zich verloren voelt, maar ook de klop op het raam van de buurman of buurvrouw. Wat ik, gelovig doordenkend in de lijn van Primo Levi, denk te leren is dit: de verhalen en de teksten in de bijbel geven ons mogelijkheden om overal in het hier en nu God te ervaren. Niet precies zoals dat in de bijbel gebeurde, zoals in ons verhaal bijvoorbeeld bij het graf met de engelen, maar door mensen die als een engel voor je zijn, mensen die ons leiden in hun wijsheid, hun doorzettingsvermogen, hun liefde.

God maakt deze wereld in al haar rauwheid en lelijkheid ook een plaats waar we kunnen zijn, met elkaar, bij elkaar. Het is ook een plaats waar we kunnen opstaan uit ellende, uit een lastige tijd omdat die kracht in ons ligt en ons gegeven wordt. Dat is wat dit verhaal ons ook vanmorgen weer vertelt: God maakt in ons dingen zichtbaar die we als mensen voor onmogelijk houden. God laat ons opstaan uit werelden die beklemmend en niet te bevatten zijn! Bij God is geen einde aan het laatste einde, maar een eeuwig nieuw begin.

 

God is voor mij die brug in het gedicht: de weg tussen het bruggenhoofd van het leven nu en het bruggenhoofd van de toekomst, aan de overkant, waarvan wij niet weten hoe die eruit ziet. Zoals de Jordaan in het Oude Testament de grens is tussen leven nu en beloofd land, nieuwe toekomst met God. God verbindt die beide kanten, al hoeft er over de Jordaan geen brug. Want we staan hier nu, maar hoe zal de wereld zijn na de coronacrisis? Zullen we lessen leren van deze crisis? En hoe moet het met al die mensen die hun baan verliezen, bedrijven die omvallen, relaties die op springen staan?

 

En dan klinken in dat gedicht van Nijhoff ineens die woorden van de roergangster waarmee ik begon: ‘Prijs God, Zijn hand zal u bewaren’. En ook tegen deze woorden leg ik de woorden van Jezus: ‘Houd mij niet vast’. Als de God, die dit hele leven in Zijn hand houdt, maar net zo goed als Bron van liefde, als Kracht die vernieuwt, als de Geest van de eeuwige creativiteit, die mensen steeds weer doet opstaan uit een bestaan dat dood dreigt te lopen.

 

Deze vrouw, ze zou zo maar Maria kunnen heten, zingt haar lof uit over God. Onbevangen en hartstochtelijk. Bevrijd van vragen of het allemaal waar is wat ze zingt, of deze God werkelijk met haar meevaart. Hoe Hij dat doet, ons bewaren, zal wel blijken, maar dát Hij dat doet, is een zekerheid. ‘Houd mij niet vast!’

 

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren. Gewoon, terwijl je aan het varen bent. De vreugde van het hart. Soms heb je dat even nodig in het leven, zeker in deze tijd. Hard uit te zingen van de hoop die en het geloof dat in je leeft.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Amen.

 

 

 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.